woordenschat bij afstandsonderwijs

Hoe kan je als ouder aandacht besteden aan de woordenschat bij afstandsonderwijs?

woordenschat bij afstandsonderwijs

“Iemand met een rijke woordenschat kan niet alleen beter en preciezer communiceren, maar ook beter denken over allerlei aspecten van de wereld om ons heen.”

Woordenschat is dus van belang om je goed te kunnen uiten en om de wereld om je heen te kunnen begrijpen. Klinkt logisch toch? In een rijke taalomgeving krijgen kinderen onbewust een heleboel nieuwe woorden mee. Naast dat je kind het Nederlands via afstandsonderwijs volgt zal hij thuis de Nederlandse taal gebruiken en horen. Ondanks dat dit nog steeds een rijke taalomgeving kan zijn, is er wel een ‘grote plek’ verdwenen waar hij de Nederlandse taal zich eigen kan maken. In jullie nieuwe thuisland pikt je kind namelijk grotendeels ook een andere taal op. Het is dus goed hier bewust van te zijn en spelenderwijs aandacht te besteden aan de Nederlandse woordenschat middels thuisonderwijs.

In het onderwijs is de Viertaktmodel Verhallen een veelgebruikt model om woorden aan te bieden. In deze blog beschrijf ik hoe je dit thuis, waar ook ter wereld, kan inzetten.

Het Viertaktmodel – woordenschat vergroten

Het Viertaktmodel van Verhallen is een planmatig model om de woordenschat te vergroten. Het bestaat uit de fases: voorbewerken, semantiseren, consolideren en controleren. Ik beschrijf ze hieronder met daarbij tips hoe je dit thuis kan aanpakken.

Voorbewerken

Met behulp van een context wordt een nieuw woord (of een groepje woorden) en de betekenis hiervan geïntroduceerd. Je wilt de voorkennis van je kind activeren, zijn ervaringen oproepen en hem nieuwsgierig maken. Refereer dus aan een herkenbare of bekende situatie of laat iets zien, voelen, horen, etc.

Groep 1 en 2: je bent een beetje verkouden. Je haalt uit je broekzak een zakdoek en zegt tegen je kind: ‘Hé, dat is handig. Met deze zakdoek kan ik mijn neus snuiten.’

Groep 7 en 8: ‘op dit plaatje zie je zonnepanelen en een windmolen. Deze boer maakt gebruik van duurzame energie.’

Semantiseren

Vervolgens ga je het woord verduidelijken. Je besteed daarbij aandacht aan woordrelaties. Dat wil zeggen dat het woord wordt gelinkt aan andere woorden. Die relaties zijn van belang, want hoe groter de woordenschat, hoe makkelijker het is om nieuwe woorden er bij te leren.

Dit doe je volgens de volgende drie ‘uitjes’:

  • Uitbreiden – je verbindt het woord aan andere woorden die er aan gerelateerd zijn. Je kan ook je kind vragen waar hij aan moet denken bij het woord.

Groep 1 en 2: /Zakdoek/ verkouden, snuiten, griep, etc.
Groep 4 en 5: /Spijker/ hamer, plank, vastmaken, timmeren, etc.
Groep 7 en 8: /Duurzame energie/ zon, wind, aardwarmte, groene energie, zonnepanelen, windmolen, etc.

  • Uitleggen – je geeft een korte, duidelijke betekenisomschrijving op kindniveau.

Groep 1 en 2: /Zakdoek/ een doek die in je zak wordt bewaard en gebruikt om je neus te snuiten.
Groep 4 en 5: /Spijker/ een spijker is een metalen pen met kop om hout aan elkaar vast te maken.
Groep 7 en 8: /Duurzame energie/ energie die is opgewerkt uit duurzame energiebronnen zoals de zon, wind en water. Deze energie raakt nooit op.

 

  • Uitbeelden – een visuele context versterkt het begrip van het kind. Dit kan d.m.v. voorwerpen, plaatjes, foto’s, filmpjes of zelf iets voordoen. Niet elk woord kan je gemakkelijk zichtbaar maken. Bijvoorbeeld liefde. Maar dit kan je wel duidelijk maken met behulp van een foto waarop het woord in een context wordt aangeboden of door middel van het naspelen van een liefdevolle gebeurtenis.

Groep 1 en 2: beeld opnieuw een situatie uit waarin je een zakdoek nodig hebt.

Groep 4 en 5: maak het woord spijker concreet door een spijker te pakken en deze in een plank te slaan (of doe alsof).

Groep 7 en 8: je laat een filmpje zien over duurzame energie of bespreekt het wanneer je tijdens een autorit zonnepanelen of windmolens langs de weg ziet.

Deze drie onderdelen bied je niet in een vaste volgorde aan maar komen willekeurig in de semantiserenfase aan bod.

Vervolgens komt wel als laatste het vierde ‘uitje’:

  • Uitproberen – je kind krijgt de mogelijkheid om zelf het woord verder te verkennen. In het onderwijs kennen we daar verschillende ‘technieken’ voor: parachute (hiërarchische relatie tussen woorden), woordweb, de kast (tegenstellingen), woordtrap (vergrotende trap), etc. Hieronder zie je daar enkele voorbeelden van. Zo wordt het woord gekoppeld aan andere woorden die er aan gerelateerd zijn. Maak er iets moois van met je kind en plak het resultaat op de koelkast of boven de schoolwerktafel. Oudere kinderen kunnen ook zinnen maken waarin het woord voorkomt.

woordenschat bij afstandsonderwijs
Figuur 1. Woordweb

woordenschat bij afstandsonderwijs
Figuur 2. Woordtrap

Figuur 3. Woordkast

woordenschat bij afstandsonderwijs
Figuur 4. Parachute


Consolideren

Woorden en de betekenis daarvan moeten veel en op verschillende manieren herhaald woorden. Op die manier zal een kind een woord pas echt onthouden. Nu denk je vast terug aan het woordjes stampen van vroeger, maar zoals je zelf weet werkt dat niet echt motiverend. Bied de woorden spelenderwijs aan. Wat dacht je van een woordenbingo? Je kind kiest 9 woorden uit en schrijft deze op een blaadje. Je noemt willekeurig betekenissen op en als deze past bij het woord op de bingokaart streept je kind deze af. Dit is ook leuk met broers en zussen samen.

Of een raadspelletje? Je zegt de betekenis en je kind raad het woord. Ruil de beurten ook eens om! En een laatste idee: een spelletje als waar of niet waar kan het ook net weer leuker maken.
En deze spelletjes kan je prima inzetten na het avondeten aan de keukentafel. Er wordt vaak geschreven dat een woord minimaal 7 keer herhaald moet worden voordat deze beklijft. Bij taalzwakke kinderen ligt dit aantal nog veel hoger.

Controleren

Kent je kind het woord? Een fase die pas na verloop van tijd plaatsvindt.
Beck, McKeown & Kucan (2002) geven aan dat het niet direct puur gaat om of je kind het woord wel of niet kent. Een woord kennen doe je namelijk in verschillende fases. Zo is er bijvoorbeeld al verschil in passieve woordenschat (het begrijpen van een woord) en actieve woordenschat (zelf actief het woord gebruiken). Wees dus ook al tevreden als het woord in ieder geval herkenning op roept. In een latere fase kan je kind het woord alsnog goed leren kennen, verklaren en gebruiken.

Het controleren kan je doen middels een spelletje uit de consoliderenfase. Je kan ook bijvoorbeeld het woordweb erbij pakken en het woord waar het om gaat beplakken. Vervolgens vraag je je kind welk woord bij al die woorden hoort en bespreken jullie nog eens wat hij er allemaal over weet.

Op deze manier wordt het bezig zijn met woorden bij thuisonderwijs ook gewoon heel leuk! En wie weet zie je al snel het effect tijdens de lessen op afstand.

Iris Bonhof, onderwijskundige Wereldschool

 

Bronnen

Verhallen, M. (2009) Meer en beter woorden leren. Geraadpleegd van https://www.onderwijsmaakjesamen.nl/uploads/2018/12/SaZ-B-Meer-en-beter-woorden-leren.pdf

Laat een reactie achter