Uitleg referentieniveaus basis- en voortgezet onderwijs voor Nederlandse taal en rekenen

Wat moet mijn kind kennen en kunnen wat betreft de Nederlandse taal en rekenen’, is een vraag die veel Nederlandse ouders met kinderen in het buitenland stellen. Dat is een goede, maar vooral ook heel uitgebreide vraag. Want als we kijken naar de schoolcarrière van een kind van 4-18 jaar, dan zijn er nogal flink wat doelen te behalen. Toch is het belangrijk om deze doelen voor ouders en kind zo klein en concreet mogelijk te maken, zodat ze goed zicht hebben op waar er naartoe gewerkt moet worden. Zeker als je vanuit het buitenland veel te maken krijgt met internationale termen is het fijn om voor het afstandsonderwijs ook goed te weten waar je kind staat.

In de basis is het zo dat scholen moeten voldoen aan de kerndoelen van de overheid. Deze doelen zijn door Stichting Leerplanontwikkeling verder uitgewerkt in leerlijnen en taken waar vervolgens steeds vaker kinddoelen bij worden ontworpen door uitgevers. Het doel is beschreven in kindertaal. Uiteindelijk kan een school zelf bepalen hoe hij vorm geeft aan de taken waardoor de doelen worden behaald.

Om te weten wat een leerling op een bepaald moment moet kennen en kunnen zijn er voor rekenen en taal de referentieniveaus waar naar wordt gestreefd in het basis-, voortgezet en mbo onderwijs. Dit zijn de volgende niveaus: 1F, 1S 2F, 2S, 3F, 3S en 4F. In deze blog leg ik je daar meer over uit.

Basisonderwijs

De referentieniveaus beschrijven de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen tijdens een overgangsmoment. Bijvoorbeeld wanneer ze de overgang maken van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs.
De in de niveaus staat voor fundamenteel, dit is dus het basisniveau. 1F staat dan ook voor basisgebruiker. Dit is het niveau waarvan je graag wil dat ieder kind het bereikt aan het einde van het basisonderwijs. Het overgrote deel van de leerlingen (ca. 75%) moet dit niveau aan het eind van groep 8 dan ook beheersen. Daarnaast wordt er voor een kleine groep ook nog gestreefd naar het behalen van het 1S niveau, dit is het streefniveau voor het basisonderwijs en geldt voor leerlingen die nog net wat meer aan kunnen. In het basisonderwijs noemen we dit het 1S niveau, maar staat gelijk aan het 2F niveau.

Referentieniveaus

Voortgezet onderwijs

Leerlingen die onder het 1F niveau zitten stromen door naar het vmbo. In het eerste jaar van het vmbo ligt de focus op het 1F niveau. Een leerling groeit vervolgens door en zit aan het eind van klas 4 op het 2F niveau en soms 2S. Ook leerlingen die mbo-1, -2 of -3 hebben afgerond hebben het 2F niveau behaald. 2F staat voor onafhankelijke gebruiker. Vmbo-gt leerlingen kunnen daarnaast ook alsnog het 2S niveau halen, wat gelijk staat aan 3F.

Onafhankelijke gebruiker geldt ook voor het 3F niveau. Dit is het niveau dat iemand behaald na afronding van zijn havo-carrière of mbo-4. Zij werken dus, na het minimaal behalen van het 1F niveau in groep 8, eerst naar het 2F niveau toe en ontwikkelen zich langzaamaan door om het diploma te behalen op 3F niveau. Voor vwo leerlingen is dit wat betreft rekenen gelijk. Bij Nederlands ontwikkelen vwo leerlingen zich in de bovenbouw door naar het 4F niveau. 4F staat voor vaardige gebruiker.

De domeinen

De referentieniveaus taal hebben 4 hoofdonderwerpen, ook wel de domeinen genoemd (slo.nl).

  1. Mondelinge taalvaardigheid (gesprek voeren, luisteren en spreken).
  2. Leesvaardigheid (onder andere zakelijke en literaire teksten lezen).
  3. Schrijfvaardigheid (bijvoorbeeld een opstel of sollicitatiebrief schrijven).
  4. Begrippenlijst (bijvoorbeeld kennis van begrippen als klinker, zelfstandig naamwoord of spreekwoord) en taalverzorging (taal correct toepassen).

Dat zelfde geldt voor rekenen, ook hier is er sprake van 4 hoofdonderwerpen (domeinen):

  • Getallen.
  • Verhoudingen.
  • Meten en meetkunde.
  • Verbanden.

Onder die domeinen vallen dan weer de leerlijnen. Verdeeld over taken staat er beschreven wat de doelen zijn die kinderen moeten behalen. Deze doelen kom je vaak ook tegen in de lesstof, waardoor het ook voor het kind duidelijk is waar hij naar toe werkt.

Voorbeeld Mondelinge taalvaardigheid

  • 1F: Kan eenvoudige gesprekken voeren over vertrouwde onderwerpen in het dagelijks leven op en buiten school.
    • Taak: Informatie uitwisselen
      • Groep 1/2: elkaar helpen en iets uitleggen
      • Groep 3/4: elkaar taak of inhoud uitleggen
      • Groep 5/6: Inhoud uitwisselen bij gezamenlijk maken van werkstuk
      • Groep 7/8: Boek met elkaar bespreken

De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven.

Maar hoe zit het dan met de niveaus A1, A2, B1, enzovoort?


Naast het Nederlands referentiekader kennen we ook het Europees referentiekader. Dit referentiekader is bedoeld voor de vreemde talen. A1 en A2 staat voor basisgebruiker, B1 en B2 voor onafhankelijke gebruiker en C1 en C2 staat voor vaardig gebruiker. Dit is dus in Europa een gebruikt model om het niveau van de leerling voor een vreemde taal te bepalen. Je kan de referentiekaders dus zeker wel met elkaar vergelijken maar niet strak over elkaar neer leggen. Daarvoor zijn de talen onderling toch wel te verschillend soms.

De referentieniveaus geven dus duidelijk aan wat een kind met kennen en kunnen op een bepaald moment en geven daarnaast scholen de ruimte om hier op een eigen manier invulling aan te geven.

Meer advies ontvangen over thuisonderwijs op afstand?

Vraag dan vrijblijvend een adviesgesprek aan. Samen kijken we naar de mogelijkheden voor jouw kinderen om onderwijs op afstand te volgen volgens het vereiste referentieniveau.

Als u als ouder ook eens wat meer zicht wil krijgen op de uitwerking van die leerlijnen, raad ik u aan eens op tule.slo.nl te kijken.

Bronnen:

https://www.slo.nl/thema/meer/tule/nederlands/

https://www.slo.nl/thema/meer/tule/rekenen-wiskunde/

www.wij-leren.nl